Verruimd bestaan


Laat het keurslijf los


Het water stroomt door zijn bedding verder,
niet wetend waar zich te wenden,
waar stil te staan,
vanwaar weerom te keren.
Het laat zich stromen


Als een dode tronk drijf ik mee,
moe,
botsend tegen stenen
zonder weerbots,
richtingloos.

SoulCard 71


Pas als ik durf af te dalen in de put,
steeds dieper,
zal ik de rotsbodem bereiken
vanwaar ik me weer afduwen kan.


Twijfel sleurt me verder.
Ik kan niet volgzaam zijn
en ik kan niet op eigen benen staan.

Laat al die normen, wetten, goede raad
over je heen stromen.
Ga er in onder.
Smaak.
Tot je het aanneemt en verteert,
of het uitspuwt als gal.


Het is goed hulpeloos te zijn,
terug te keren
tot het kleine, krachteloze wicht
in een uitzichtloze moederschoot.


Het is goed pijn te voelen,
aan mijn navel een kreet te voelen rijpen,
die te voelen stijgen,
als een walging, een nood,
een schreeuw van vrijheid,
rauw, doordringend, wanhopig geloof.